nederlands onderwerpen

Keuze LW, ZNW, BNW en VZ

  • lidwoord
  • zelfstandig naamwoord
  • bijvoeglijk naamwoord
  • voorzetsel
  • LW
  • ZNW
  • BNW
  • VZ

  Theorie

Uitdaging

Hoe bepaal je welk woord in een zin een lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of voorzetsel is?

Methode

Lidwoord

De lidwoorden van de Nederlandse taal bestaan simpel gezegd uit drie woordjes: de, het en een.

 

Zelfstandig naamwoord

Het belangrijkste om te onthouden is dat:

- je in gedachten vóór een zelfstandig naamwoord een lidwoord kunt zetten.
- soms een heel werkwoord kan voorkomen als zelfstandig naamwoord.

 

Bijvoeglijk naamwoord

Het belangrijkste om te onthouden is dat een bijvoeglijk naamwoord:

- een eigenschap benoemt van een zelfstandig naamwoord.
- vaak vóór het zelfstandig naamwoord staat (de papieren hoed, de snelle auto), maar ook erachter kan staan (de hoed van papier, de auto rijdt snel). 

 

Voorzetsel

Het belangrijkste om te onthouden is dat een voorzetsel: 

- aangeeft wat de aard van de relatie is tussen verschillende elementen in de zin. Bijvoorbeeld dat iets aan iets vast zit, of dat iets ergens tussen ligt of dat iets na iets gebeurt.
- bijna altijd onderdeel van een woordengroep waarin een zelfstandig naamwoord staat (naar de bus, op de tafel, achter de koelkast).

 

  Vuistregels

  • De lidwoorden van de Nederlandse taal bestaan simpel gezegd uit drie woordjes: de, het en een.
  • Je kunt in gedachten vóór een zelfstandig naamwoord een lidwoord zetten.
  • Soms kan een heel werkwoord voorkomen als zelfstandig naamwoord.
  • Het bijvoeglijk naamwoord benoemt een eigenschap van een zelfstandig naamwoord.
  • Het bijvoeglijk naamwoord staat vaak vóór het zelfstandig naamwoord staat, maar kan ook erachter staan.
  • Het voorzetsel geeft aan wat de aard van de relatie is tussen verschillende elementen in de zin.
  • Het voorzetsel is bijna altijd onderdeel van een woordengroep waarin een zelfstandig naamwoord staat.

  Voorbeeldvraag

De klas haalde een uitstekend resultaat voor hun tentamen Nederlands. 

a. wat zijn de lidwoorden in deze zin? 
b. wat zijn de zelfstandig naamwoorden in deze zin?
c. wat zijn de bijvoeglijk naamwoorden in deze zin? 
d. wat zijn de voorzetsels in deze zin? 

 

Uitwerking: 

a. De klas haalde een uitstekend resultaat voor hun tentamen Nederlands. 
b. De klas haalde een uitstekend resultaat voor hun tentamen Nederlands. 
c. De klas haalde een uitstekend resultaat voor hun tentamen Nederlands
d. De klas haalde een uitstekend resultaat voor hun tentamen Nederlands.