nederlands onderwerpen

De bedrijvende en lijdende vorm

  • bedrijvende vorm
  • lijdende vorm
  • actieve vorm
  • passieve vorm

  Theorie

Uitdaging

Wat is de bedrijvende en lijdende vorm en hoe verander je een vorm in de andere vorm?

Methode

Een zin kan in de bedrijvende (= de actieve) of de lijdende (= de passieve) vorm staan. Als je naar de volgende zinnen kijkt zie je direct het verschil tussen de actieve en de passieve vorm:

- De vrienden spelen een spelletje --> actieve (= bedrijvende) vorm
- Een spelletje wordt gespeeld door de vrienden --> passieve (= lijdende) vorm

 

Als je een zin in de bedrijvende vorm wilt veranderen naar de lijdende vorm, of andersom, dan zijn er een aantal belangrijke regels die je moet gebruiken:

1 - Als een bedrijvende zin in de onvoltooide tijd staat (= nog niet voltooid, dus bijv. "ik loop ...), dan moet je in de lijdende zin het hulpwerkwoord worden gebruiken.
2 - Als een bedrijvende zin in de voltooide tijd staat (= wel voltooid, dus bijv. "ik ben gelopen ...), dan moet je in de lijdende zin het hulpwerkwoord zijn gebruiken.
3 - Bij het omzetten van een zin naar de andere vorm moet de tijd van de zin altijd hetzelfde blijven.

Zie de volgende voorbeelden om te begrijpen hoe je deze regels goed toepast:

bedrijvend - de vrienden spelen het spelletje (onvoltooide tijd)
lijdend - het spelletje wordt gespeeld door de vrienden

bedrijvend - de vrienden hebben het spelletje gespeeld (voltooide tijd)
lijdend - het spelletje is gespeeld door de vrienden

bedrijvend - de vrienden zullen het spelletje spelen (onvoltooide tijd)
lijdend - het spelletje zal door de vrienden gespeeld worden (tijd blijft hetzelfde met zal)

bedrijvend - de vrienden zouden het spelletje gespeeld hebben (voltooide tijd)
lijdend - het spelletje zou door de vrienden gespeeld worden (tijd blijft hetzelfde met zou)

 

  Vuistregels

Als je een zin in de bedrijvende vorm wilt veranderen naar de lijdende vorm, of andersom, dan zijn er een aantal belangrijke regels die je moet gebruiken:

  • Als een bedrijvende zin in de onvoltooide tijd staat (= nog niet voltooid, dus bijv. "ik loop ...), dan moet je in de lijdende zin het hulpwerkwoord worden gebruiken.
  • Als een bedrijvende zin in de voltooide tijd staat (= wel voltooid, dus bijv. "ik ben gelopen ...), dan moet je in de lijdende zin het hulpwerkwoord zijn gebruiken.
  • Bij het omzetten van een zin naar de andere vorm moet de tijd van de zin altijd hetzelfde blijven.

  Voorbeeldvraag

Wat is de lijdende vorm? 

a. Mirjam eet haar boterham. 
b. Mirjan zal haar boterham gegeten hebben. 
c. Mirjam had haar boterham gegeten. 

 

Uitwerking: 

a. Haar boterham wordt door Mirjam gegeten. 
b. Haar boterham zal zijn gegeten door Mirjam. 
c. Haar boterham was door Mirjam gegeten.