nederlands onderwerpen

Naamwoordelijk gezegde

  • gezegde
  • naamwoordelijk gezegde
  • koppelwerkwoord
  • zinsontleding

  Theorie

Uitdaging

Hoe vind je het naamwoordelijk gezegde in een zin?

Methode

In onze taal maken we onderscheid tussen twee verschillende gezegdes:

- het werkwoordelijk gezegde
- het naamwoordelijk gezegde

 

Naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit één of meerdere werkwoorden en één of meerdere (zelfstandige, bijvoeglijke, etc.) naamwoorden. Dit gezegde geeft altijd informatie over een eigenschap van het onderwerp (dat iets of iemand iets is of doet). Het hoofdwerkwoord in een naamwoordelijk gezegde noemen we het koppelwerkwoord: het koppelt een bepaalde eigenschap aan het onderwerp. De meest gebruikte koppelwerkwoorden zijn; zijnwordenblijvenblijkenlijkenschijnenheten, dunken en voorkomen

Als je het naamwoordelijk gezegde van een zin moet bepalen:

1 - ontleed de zin

a. wat is de persoonsvorm?
b. wat is het onderwerp?
c. wat zijn de andere werkwoorden? 

2 - is er een naamwoordelijk gezegde?

a. is één van de werkwoorden een koppelwerkwoord? 
b. is er een naamwoord dat iets zegt over het onderwerp? Om hierachter te komen stel je jezelf de volgende vraag: Wat + [persoonsvorm] + [onderwerp] + [andere werkwoorden]?

Indien je op beide vragen 'ja' kan antwoorden is er een naamwoordelijk gezegde.

Let op: als je één van de twee vragen met een 'nee' beantwoord, dan is het een werkwoordelijk gezegde

3- wat is het naamwoordelijk gezegde? 

Het naamwoordelijk gezegde is [persoonsvorm] + [het naamwoord uit 2b] + [andere werkwoorden]. 

  Vuistregels

  • Het gezegde van een zin geeft aan wat er over het onderwerp wordt verteld: wie of wat het onderwerp is of doet.
  • Iedere gezegde bestaat in ieder geval uit een werkwoord, en kan ook nog andere werkwoorden en/of naamwoorden bevatten.
  • Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit één of meerdere werkwoorden en één of meerdere (zelfstandige, bijvoegelijke, etc.) naamwoorden. 
  • Dit gezegde geeft altijd informatie over een eigenschap van het onderwerp (dat iets of iemand iets is of doet).

  Voorbeeldvraag

Is er een naamwoordelijk gezegde in de volgende zin? Zo ja, wat is het naamwoordelijk gezegde?

Onze opa is na de Tweede Wereldoorlog ernstig ziek geworden.

 

Uitwerking: 

1 - ontleed de zin

a. onderwerp: onze opa
b. persoonsvorm: is
c. andere werkwoorden: geworden

2 - is er een naamwoordelijk gezegde? 

a. koppelwerkwoord? ja -> is (van het werkwoord zijn)
b. naamwoord dat iets zegt over het onderwerp? ja -> Wat is onze opa geworden? Ernstig ziek

3 - wat is het naamwoordeijk gezegde? 

is ernstig ziek geworden