nederlands onderwerpen

PV, OW en LV - opdelen

  • persoonsvorm
  • onderwerp
  • lijdend voorwerp
  • zinsontleding

  Theorie

Uitdaging

Hoe verdeel je een zin in de persoonsvorm, het onderwerp en het lijdend voorwerp?

Methode

Volgorde

1 - Vind de persoonsvorm (en het gezegde)
2 - Vind het onderwerp
3 - Vind het lijdend voorwerp

 

Bekijk bijvoorbeeld de volgende zin:

Zij heeft een grote hond gekregen.

1 - Heeft zij een grote hond gekregen? (vraagproef)
--> heeft = de persoonsvorm
--> heeft gekregen = het gezegde

2 - Wie heeft gekregen? (wie of wat + gezegde)
--> Zij = het onderwerp

 

Lijdend voorwerp

Het lijdend voorwerp in een zin geeft aan waar de in de zin beschreven handeling betrekking op heeft, dus wat het 'lijdende' voorwerp is. Stel jezelf de volgende vraag:

wie of wat + gezegde + onderwerp?

3 - Wat heeft zij gekregen?
--> een grote hond = het lijdend voorwerp 

  Vuistregels

Volgorde

  1. Vind de persoonsvorm (en het gezegde)
  2. Vind het onderwerp: wie of wat + gezegde?
  3. Vind het lijdend voorwerp: wie of wat + gezegde + onderwerp?

  Voorbeeldvraag

Deel de volgende zinnen op in de persoonsvorm, het onderwerp en het lijdend voorwerp.

a. Ik eet een stuk taart. 
b. De burgemeester van Amsterdam heeft een groot huis. 
c. De klas leest het boek voor. 

 

Uitwerking: 

a. Ik - eet - een stuk taart
- Eet ik een stuk taart? (vraagproef)
--> eet = de persoonsvorm

- Wie eet? (wie of wat + gezegde)
--> ik = het onderwerp

- Wat eet ik? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een stuk taart = het lijdend voorwerp

b. De burgemeester van Amsterdam - heeft - een groot huis. 
- Heeft de burgemeester van Amsterdam een groot huis? (vraagproef)
--> heeft = de persoonsvorm

- Wie heeft? (wie of wat + gezegde)
--> De burgemeester van Amsterdam = het onderwerp

- Wat heeft de burgemeester van Amsterdam? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een groot huis = het lijdend voorwerp

c. De klas - leest - het boek - voor. 
- Leest de klas het boek voor? (vraagproef)
--> leest voor (van het werkwoord voorlezen) = de persoonsvorm

- Wie leest voor? (wie of wat + gezegde)
--> De klas = het onderwerp

- Wat leest de klas voor? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> het boek = het lijdend voorwerp