nederlands onderwerpen

PV, OW, LV, MV en BWB - herkennen

  • persoonsvorm
  • onderwerp
  • lijdend voorwerp
  • meewerkend voorwerp
  • bijwoordelijke bepaling
  • zinsontleding

  Theorie

Uitdaging

Hoe herken je de persoonsvorm, het onderwerp, het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepaling in een zin?

Methode

Volgorde

1 - Vind de persoonsvorm (en het gezegde)
2 - Vind het onderwerp
3 - Vind het lijdend voorwerp
4 - Vind het meewerkend voorwerp
5 - Vind de bijwoordelijke bepaling

 

Bekijk bijvoorbeeld de volgende zin:

Jan-Hein en ik gaan onze moeder voor haar verjaardag volgende week een mooi boek geven.

1 - Hij gaat onze moeder voor haar verjaardag volgende week een mooi boek geven. (getalproef)
--> gaan = de persoonsvorm
--> gaan geven = het gezegde

2 - Wie gaan geven? (wie of wat + gezegde)
--> Jan-Hein en ik = het onderwerp

3 - Wat gaan Jan-Hein en ik geven? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een mooi boek = het lijdend voorwerp 

4 - (Aan) wie gaan Jan-Hein en ik een mooi boek geven? ((aan/voor) wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp)
--> onze moeder = het meewerkend voorwerp

 

Bijwoordelijke bepaling 

Een bijwoordelijke bepaling bestaat uit één woord of meerdere woorden die meer informatie geven over wat in het gezegde wordt uitgedrukt. Vaak is alles wat je na het benoemen van de zinsdelen overhoudt, de bijwoordelijke bepaling. Er kunnen dus ook meerdere bijwoordelijke bepalingen in één zin staan. De bijwoordelijke bepaling is op te delen in verschillende soorten, waaronder de bijwoordelijke bepaling van:

- plaats: Jochem heeft op de middelbare school gezeten in Bussum.
- tijd: Ik stop in de avond met werken.
- richting: Ik pak de bus en ik vertrek naar Zuid-Spanje.
- frequentie: Ik ga regelmatig met mijn band oefenen voor het optreden.
- graad: Zijn moeder was heel blij met zijn volwassen gedrag.

en zo zijn er nog veel meer... Je kan de bijwoordelijke bepaling in een zin dus goed vinden door vragen te stellen als: Waar? Wanneer? Hoe? Hoeveel? Hoe vaak? Waarheen? Waarom? Waarmee?

5 -  Wanneer gaan Jan-Hein en ik onze moeder een mooi boek geven?
--> volgende week = de bijwoordelijke bepaling

Waarom gaan Jan-Hein en ik onze moeder een mooi boek geven?
--> voor haar verjaardag = de bijwoordelijke bepaling

--> voor haar verjaardag volgende week = de bijwoordelijke bepaling 

  Vuistregels

Volgorde

  1. Vind de persoonsvorm (en het gezegde)
  2. Vind het onderwerp: wie of wat + gezegde?
  3. Vind het lijdend voorwerp: wie of wat + gezegde + onderwerp?
  4. Vind het meewerkend voorwerp: (aan/voor) wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
  5. Vind de bijwoordelijke bepaling: Waar? Wanneer? Hoe? Hoeveel? Hoe vaak? Waarheen? Waarom? Waarmee?