nederlands onderwerpen

Jij en hij, zij, het - persoonsvorm tt

  • jij-vorm
  • hij/zij/het-vorm
  • persoonsvorm tegenwoordige tijd
  • enkelvoud
  • werkwoord
  • stam+t

  Theorie

Uitdaging

Hoe schrijf je de jij-vorm en de hij/zij/het-vorm van een werkwoord in de tegenwoordige tijd en wanneer gebruik je deze vormen?

Methode

Zwakke werkwoorden

De jij-vorm en de hij/zij/het-vorm van een werkwoord in de tegenwoordige tijd schrijf je als de stam van het werkwoord + de letter t, dus de stam+t.

Werkwoord: Werken
Stam: Werk
Stam+t: Werkt

Werkwoord: Vragen
Stam: Vraag
Stam+t: Vraagt

 

Je gebruikt de stam+t (= de ik-vorm + t) in de volgende gevallen:

 

1 - Het werkwoord slaat op de hoofdpersoon "je/jij". Let op! je/jij moet dan vóór het werkwoord staan.

Jij ...... (spelen) met de bal. --> Jij speelt met de bal.

 

2 - Het werkwoord slaat op de hoofdpersoon "hij/zij/u/het"

...... (spelen) hij met de bal? --> Speelt hij met de bal?
Zij ...... (spelen) met de bal. --> Zij speelt met de bal.
Het dier ...... (spelen) met de bal. --> Het dier speelt met de bal.
Zo ...... (spelen) u de bal. --> Zo speelt u de bal.

Let op: als de ik-vorm op een d eindigt, dan komt de t gewoon achter de d en krijg je de lettercombinatie dt (bijvoorbeeld hij wordt, zij vindt, jij zendt).

 

Sterke werkwoorden

In onze taal komen ook sterke werkwoorden voor. Dat zijn werkwoorden die een aparte vervoeging hebben en bovenstaande regels niet volgen. Je moet deze werkwoorden en de verschillende persoonsvormen van deze werkwoorden uit je hoofd leren. Hieronder zie je de sterke werkwoorden die een aparte stam+t hebben:

hebben - ik heb - jij hebt - hij heeft

zijn - ik ben - jij bent - hij is

kunnen - ik kan - jij kunt/kan - hij kan

zullen - ik zal - jij zult - hij zal

mogen - ik mag - jij mag - hij mag

 

  Vuistregels

  • De jij-vorm en de hij/zij/het-vorm van een werkwoord in de tegenwoordige tijd schrijf je als de stam van het werkwoord + de letter t, dus de stam+t.
  • Als er een hoofdpersoon "je/jij" voor het werkwoord staat, dan gebruik je de stam+t.
  • Als er een hoofdpersoon "hij/zij/u/het" voor of achter het werkwoord staat, dan gebruik je de stam+t.

  Voorbeeldvraag

Schrijf de juiste persoonsvorm in de tegenwoordige tijd enkelvoud in de zin.

a. Robin ..... (willen) graag haar cadeau uitpakken.
b. Dat ..... (vinden) ik een vreemde gedachte.
c. Om die reden ..... (blijven) jij vanavond thuis.

 

Uitwerkingen

a. wilt (zij = stam+t = wilt)
b. vind (ik = stam = vind)
c. blijf (... jij = stam = blijf)