nederlands onderwerpen

Basis - persoonsvorm tt & vt

  • persoonsvorm
  • persoonsvorm tegenwoordige tijd
  • persoonsvorm verleden tijd
  • zwakke werkwoorden
  • sterke werkwoorden
  • enkelvoud
  • meervoud
  • kofschip

  Theorie

Uitdaging

Hoe schrijf je de verschillende persoonsvormen in de tegenwoordige tijd & verleden tijd en wanneer gebruik je deze vormen?

Methode

Zwakke werkwoorden

Het volgende overzicht laat duidelijk zien wanneer je welke persoonsvorm gebruikt:

 

Tegenwoordige tijd 

Ik                             stam                        ik?

Jij                             stam+t

                                 stam                        jij?

Hij/zij/u/het           stam+t                       hij/zij/u/het?

Wij/jullie/zij            hele werkwoord      wij/jullie/zij?

 

Verleden tijd

Ik/jij/hij/zij/het       stam + te/de           ik/jij/hij/zij/het?

Wij/jullie/zij            stam + ten/den       wij/jullie/zij?

 

Of je te(n) of de(n) achter de ik-vorm moet schrijven kan je bepalen met de regel van 't kofschip (of beter: met kofschiptaxi). 

 

Sterke werkwoorden

Sommige werkwoorden zijn sterke werkwoorden (deze zijn onregelmatig) en volgen dus niet deze regels. Je moet onthouden hoe je de persoonsvormen van deze sterke werkwoorden schrijft door er veel mee te oefenen. Voorbeelden van veelgebruikte sterke werkwoorden zijn (en er zijn er veel meer!):

hebben - ik heb (tt) - jij hebt (tt) - hij heeft (tt) - wij hebben (tt) - ik had (vt) - wij hadden (vt)

zijn - ik ben - jij bent - hij is - wij zijn - ik was - wij waren

kunnen - ik kan - jij kunt/kan - hij kan - wij kunnen - ik kon - wij konden

zullen - ik zal - jij zult - hij zal - wij zullen - ik zou - wij zouden

  Vuistregels

  • In de tegenwoordige tijd gebruik je de stam, stam+t of het hele werkwoord
  • In de verleden tijd gebruik je stam+te/de of stam+ten/den

  Voorbeeldvraag

Schrijf de juiste persoonsvorm in de zin.

a. De politie ..... (blokkeren, tt) de route.
b. De jongens ..... (hebben) gisteren alle tijd om naar de supermarkt te gaan.
c. Ik ..... (haten, vt) het altijd om naar de tandarts te gaan.

 

Uitwerkingen

a. de politie = stam+t = blokkeert

b. hebben = sterk werkwoord
meervoud verleden tijd = hadden

c. ha-ten --> eindigt op -te(n) in de verleden tijd (kofschiptaxi)
enkelvoud verleden tijd = stam+te = haatte