nederlands onderwerpen

Gevorderd - persoonsvorm tt & vt

  • persoonsvorm
  • persoonsvorm tegenwoordige tijd
  • persoonsvorm verleden tijd
  • zwakke werkwoorden
  • sterke werkwoorden
  • enkelvoud
  • meervoud
  • kofschip
  • moeilijke werkwoorden

  Theorie

Uitdaging

Hoe schrijf je de verschillende persoonsvormen van moeilijke werkwoorden in de tegenwoordige & verleden tijd en wanneer gebruik je deze vormen?

Methode

Als je een werkwoord niet kent of er moeilijk uit vindt zien, dan kan je nog steeds gewoon de regels toepassen die je hebt geleerd. Zie onderstaand overzicht voor de regels van de vervoegingen van zwakke werkwoorden.

 

Tegenwoordige tijd 

Ik                             stam                        ik?

Jij                             stam+t

                                 stam                        jij?

Hij/zij/u/het           stam+t                       hij/zij/u/het?

Wij/jullie/zij            hele werkwoord      wij/jullie/zij?

 

Verleden tijd

Ik/jij/hij/zij/het       stam + te/de           ik/jij/hij/zij/het?

Wij/jullie/zij            stam + ten/den       wij/jullie/zij?

 

Of je te(n) of de(n) achter de ik-vorm moet schrijven kan je bepalen met de regel van 't kofschip (of beter: met kofschiptaxi). 

Sommige werkwoorden zijn sterke werkwoorden (deze zijn onregelmatig) en volgen dus niet deze regels. Je moet onthouden hoe je de persoonsvormen van deze sterke werkwoorden schrijft door er veel mee te oefenen.

  Vuistregels

  • In de tegenwoordige tijd gebruik je de stam, stam+t of het hele werkwoord
  • In de verleden tijd gebruik je stam+te/de of stam+ten/den

  Voorbeeldvraag

Schrijf de juiste persoonsvorm in de zin.

a. Veel Nederlanders ..... (emigreer, tt) na hun studie naar het buitenland.
b. De schrijver ..... (verzenden) vorige week een aantal exemplaren van zijn boeken naar fans.
c. Zij ..... (overeenkomen) dat ze beter niet meer bij elkaar konden wonen.

 

Uitwerkingen

a. zij (meervoud) = hele werkwoord = emigreren

b. verzenden = sterk werkwoord
enkelvoud verleden tijd = verzond

c. overeenkomen = sterk werkwoord
meervoud verleden tijd = kwamen overeen