nederlands onderwerpen

Gevorderd zwakke werkwoorden - voltooid deelwoord

  • voltooid deelwoord
  • zwakke werkwoorden

  Theorie

Uitdaging

In welke gevallen schrijf je geen extra ge- voor het voltooid deelwoord en hoe schrijf je het voltooid deelwoord van deze zwakke werkwoorden dan wel?

Methode

Er zijn vier gevallen waarbij het voltooid deelwoord niet met ge- begint:

 

1 - Als een werkwoord al met ge- begint

Als dat het geval is, dan komt er geen extra ge bij in het voltooid deelwoord.

gebeuren - het is gebeurd
gebruiken - ik heb gebruikt

 

2 - Als een werkwoord met een klemtoonloos voorvoegsel begint

Voorbeelden van voorvoegsels van werkwoorden zijn be-, ver-, ont-, mis- en her-. Indien het werkwoord met een dergelijk voorvoegsel begint en de klemtoon ligt niet op dit voorvoegsel, dan komt er geen ge- bij in het voltooid deelwoord. 

beseffen - ik heb beseft
verdienen - ik heb verdiend
ontdooien - ik ben ontdooid
misleiden - ik ben misleid
herhalen - ik heb herhaald

 

3 - Als een werkwoord met een voorzetsel begint waar de klemtoon op ligt

Als dit het geval is, dan schrijf je in het voltooid deelwoord ge áchter het voorzetsel. 

afmaken - ik heb afgemaakt
opdienen - ik heb opgediend
voorzeggen - ik heb voorgezegd
najagen - ik ben nagejaagd

 

4 - Als een werkwoord met een voorzetsel begint waar de klemtoon niet op ligt

Als dit het geval is, dan schrijf je geen ge- in het voltooid deelwoord.

ondermijnen - ik ben ondermijnd
ondervragen - ik ben ondervraagd
overleggen - ik heb overlegd
overbelasten - ik ben overbelast

 

  Vuistregels

Je schrijft geen extra ge- voor het voltooid deelwoord als:

  • een werkwoord al met ge- begint
  • een werkwoord met een klemtoonloos voorvoegsel begint
  • een werkwoord met een voorzetsel begint waar de klemtoon op ligt
  • een werkwoord met een voorzetsel begint waar de klemtoon niet op ligt

  Voorbeeldvraag

Wat is het voltooid deelwoord?

a. bemannen - zij hebben .....
b. opgooien - zij heeft .....
c. verplaatsen - ik ben ......

 

Uitwerkingen

a. zij hebben bemand
b.
zij heeft opgegooid
c. ik ben verplaatst