nederlands onderwerpen

Sterke werkwoorden - persoonsvorm & voltooid deelwoord

  • persoonsvorm
  • voltooid deelwoord
  • sterke werkwoorden

  Theorie

Uitdaging

Hoe schrijf je de persoonsvorm en het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden en wanneer gebruik je deze vormen?

Methode

Persoonsvorm

Bij sterke werkwoorden verandert in de verleden tijd (en bij een paar ook in de tegenwoordige tijd) de klinker in het werkwoord. Zie onderstaand een aantal voorbeelden (er zijn veel meer sterke werkwoorden!) 

hebben - ik heb - jij hebt - hij heeft - wij hebben - ik had - wij hadden

zijn - ik ben - jij bent - hij is - wij zijn - ik was - wij waren

kunnen - ik kan - jij kunt/kan - hij kan - wij kunnen - ik kon - wij konden

zullen - ik zal - jij zult - hij zal - wij zullen - ik zou - wij zouden

mogen - ik mag - jij mag - hij mag - wij mogen - ik mocht - wij mochten

 

dragen - ik droeg - wij droegen

gaan - ik ging - wij gingen

helpen - ik hielp - wij hielpen

houden - ik hield - wij hielden

komen - ik kwam - wij kwamen

 

Voltooid deelwoord

Bij sterke werkwoorden schrijf je het voltooid deelwoord vaak als ge + hele werkwoord. Echter wijkt het voltooid deelwoord van veel sterke werkwoorden hiervan af: bij sommigen wordt gewoon de regel van 't kofschip gebruikt of wordt de verleden tijd gebruikt in plaats van het hele werkwoord. 

ge + hele werkwoord: zien - ik heb gezien

de regel van 't kofschip: zeggen - ik heb gezegd

op basis van verleden tijd: zoeken - ik heb gezocht

  Vuistregels

Persoonsvorm:

  • Bij sterke werkwoorden verandert in de verleden tijd (en bij een paar ook in de tegenwoordige tijd) de klinker in het werkwoord.

Voltooid deelwoord:

  • Bij sterke werkwoorden schrijf je het voltooid deelwoord vaak als ge + hele werkwoord.
  • Echter wijkt het voltooid deelwoord van veel sterke werkwoorden hiervan af: bij sommigen wordt gewoon de regel van 't kofschip gebruikt of wordt de verleden tijd gebruikt in plaats van het hele werkwoord. 

  Voorbeeldvraag

Hoe schrijf je de persoonsvorm of het voltooid deelwoord?

a. Maarten is al lang niet in zijn geboorteland ..... (zijn).
b. Ik ..... (kunnen, vt) totaal niet dansen op die muziek.
c. Het schijnt dat hij daar nooit last van ..... (hebben, tt) gehad.

 

Uitwerkingen

a. Maarten is al lang niet in zijn geboorteland geweest.
b. Ik kon totaal niet dansen op die muziek.
c. Het schijnt dat hij daar nooit last van heeft gehad.