nederlands onderwerpen

Komma

  • komma
  • leestekens

  Theorie

Uitdaging

Wanneer gebruik je een komma

Methode

Een komma wordt in een zin geplaatst om een korte pauze in te bouwen. Hoe langer de zin, de groter de kans dat er een komma in zit. De meest voorkomende gevallen zijn: 

 

1 - in opsommingen

Als je meerdere dingen wilt opsommen in een zin kun je een komma gebruiken tussen de verschillende dingen. Bijvoorbeeld:

- Ik wil graag 2 paar schoenen, 1 tas, 4 jurkjes en 6 broeken bestellen.

Let op: vóór het laatste ding (in dit geval 6 broeken) gebruik je 'en' in plaats van een komma.

 

2 - tussen bijvoegelijk naamwoorden 

Als je meerdere bijvoegelijk naamwoorden wilt gebruiken om hetzelfde zelfstandig naamwoord te omschrijven moet je een komma gebruiken. Bijvoorbeeld:

- Mijn vriend heeft een mooie, zwarte, grote motor in de garage staan. 

 

3 - voor en na een bijzin

Als je iets meer wilt vertellen over een woord of persoon in een zin kun je een bijzin toevoegen. Achter het woord (of de persoon) schrijf je een komma, daarna schrijf je de bijzin en dan sluit je de bijzin af met een komma. Belangrijk is dat de zin, zonder de bijzin, een zelfstandige zin is. Bijvoorbeeld: 

- Vanavond ga ik naar een film, over de tweede wereldoorlog, samen met mijn vriendinnetjes.
- Vanavond ga ik naar een film samen met mijn vriendinnetjes. (zonder de bijzin)

Beide zinnen zijn correct, maar de eerste zin geeft meer informatie over het onderwerp van de film. 

 

4 - na aanhef boven een brief 

Als je een brief schrijft begin je altijd met een aanhef. Na deze aanhef plaats je altijd een komma. Bijvoorbeeld:

- Beste lezer, ....
- Hallo Jan, ....

 

5 - voor en/of na een aanspreking

Als je in een zin iemand wilt aanspreken schrijf je voor en/of na zijn naam een komma. Bijvoorbeeld:

- Jochem, wil je even naar mij luisteren?
- Ren weg, Pieter, want een dinosaurus achtervolgt je. 

 

6 - voor een voegwoord

Voor voegwoorden schrijf je altijd een komma. Bijvoorbeeld: 

- Ik moet vroeg op staan, want ik moet naar school.
- Vanavond moet ik op tijd thuis zijn, aangezien ik morgen een toets heb. 

Let op: dat is een uitzondering, daarvoor schrijf je niet altijd een komma. 

 

7 - soms voor die/dat

Soms schrijf je een komma voor die/dat, maar soms ook niet. Het ligt aan de betekenis van de zin. Lees de volgende zinnen om het verschil te zien: 

- De kinderen die geoefend hebben op slimleren.nl halen hoge cijfers.
- De kinderen, die geoefend hebben op slimleren.nl, halen hoge cijfers. 

Beide zinnen zijn correct geschreven, er is alleen een belangrijk verschil in de betekenis. 

  • Uit de eerste zin blijkt dat er 2 soorten kinderen zijn, namelijk de kinderen die geoefend hebben op slimleren.nl en de kinderen die niet geoefend hebben op slimleren.nl.
  • In de tweede zin staat 'die geoefend hebben op slimleren.nl' tussen komma's, dit betekent dat het een bijzin is. Deze bijzin vertelt de lezer iets over het onderwerp. Dit betekent dat alle kinderen geoefend hebben op slimleren.nl.

 

  Vuistregels

Je gebruikt meestal een komma:

  • in opsommingen
  • tussen bijvoegelijk naamwoorden
  • voor en na een bijzin
  • na aanhef boven een brief 
  • voor en/of na een aanspreking
  • voor een voegwoord
  • soms voor die/dat