nederlands onderwerpen

Meewerkend voorwerp

  • meewerkend voorwerp
  • zinsontleding

  Theorie

Uitdaging

Hoe vind je het meewerkend voorwerp in een zin?

Methode

Het meewerkend voorwerp kan je tegenkomen in zinnen waarin staat dat iets aan iemand wordt verteld/gegeven/gestuurd etc. De persoon aan wie iets wordt verteld of gegeven, wordt het meerwerkend voorwerp genoemd.

- Niet iedere zin hoeft per se een meewerkend voorwerp te hebben.
- Een meewerkend voorwerp kan uit meerdere woorden bestaan.
- Een meewerkend voorwerp kan met de voorzetsels aan en voor beginnen.

Als je het gezegde, onderwerp en lijdend voorwerp hebt gevonden dan kan je erachter komen wat het meewerkend voorwerp is, door jezelf de volgende vraag te stellen:

(aan/voor) wie of wat + [gezegde] + [onderwerp] + [lijdend voorwerp]?

 

Kijk bijvoorbeeld naar het meewerkend voorwerp in de volgende zin: 

Padraig heeft zijn zoon Gerben een nieuwe zwembroek gegeven.

Ontleed eerst de zin en stel vervolgens de bovenstaande vraag om het meewerkend voorwerp te vinden.

onderwerp: Padraig
gezegde: heeft gegeven
lijdend voorwerp: een nieuwe zwembroek 

Aan wie heeft Padraig een nieuwe zwembroek gegeven?
--> zijn zoon Gerben = meewerkend voorwerp

 

Een meewerkend voorwerp kan met de voorzetsels aan en voor beginnen. Als er geen aan in een zin staat en je kan het wel ergens tussen zetten, dan is hetgene dat erachter staat meestal het meewerkend voorwerp:

Ik vroeg (aan) hem of hij de kaartjes al had gekocht.
Aan wie vroeg ik of hij de kaartjes al had gekocht?
--> hem = meewerkend voorwerp

 

Een meewerken voorwerp is meestal een persoon of levend wezen, maar in sommige gevallen kan ook een ding of iets abstracts een meewerkend voorwerp zijn:

Ik moet voor de wasmachine een nieuwe deur bestellen.
Voor wat moet ik een nieuwe deur bestellen?
--> voor de wasmachine = meewerkend voorwerp

  Vuistregels

  • Niet iedere zin hoeft per se een meewerkend voorwerp te hebben.
  • Een meewerkend voorwerp kan uit meerdere woorden bestaan.
  • Een meewerkend voorwerp kan met de voorzetsels aan en voor beginnen.
  • (aan/voor) wie of wat + [gezegde] + [onderwerp] + [lijdend voorwerp]?

  Voorbeeldvraag

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zinnen? 

a. Ik laat de picknickmand achter voor de volgende bezoekers.
b. Het meisje geeft haar paarden hooi.

 

Uitwerkingen: 

a. onderwerp:  Ik
gezegde: laat achter
lijdend voorwerp: de picknickmand

Voor wie laat ik de picknickmand achter?
--> voor de volgende bezoekers = meerwerkend voorwerp

b. onderwerp: het meisje
gezegde: geeft
lijdend voorwerp: hooi

Aan wie geeft het meisje hooi?
--> haar paarden = meewerkend voorwerp