nederlands onderwerpen

Basis - aanwijzend voornaamwoord

  • aanwijzend voornaamwoord
  • voornaamwoord
  • zelfstandige vorm
  • niet-zelfstandige vorm

  Theorie

Uitdaging

Wat is een aanwijzend voornaamwoord en hoe spel je aanwijzende voornaamwoorden?

Methode

Een aanwijzend voornaamwoord is een woord dat nadrukkelijk ergens naar verwijst. Denk bijvoorbeeld aan woorden als dat, die, zulke, zo'n (dat meisje, die voetbal, zulke goede cijfers, zo'n glimlach). Deze woorden verwijzen nadrukkelijk naar het woord dat erachter staat. Een aanwijzend voornaamwoord kan zowel zelfstandig, als niet-zelfstandig gebruikt worden.

 

Welk aanwijzend voornaamwoord je gebruikt en hoe je deze spelt hangt af van het getal (enkelvoud of meervoud), het type woord (de-woord of het-woord), de vorm (zelfstandig of niet-zelfstandig) en van het woord waar het bij hoort. Hieronder zie je een overzicht van de aanwijzend voornaamwoorden in de verschillende situaties:

 

                                                      Niet-zelfstandig                 Zelfstandig

Enkelvoud (bij het-woorden)   dit, dat, ginds, zulk, zo'n     dit, dat, datgene, hetgene, zulk, zo'n

Enkelvoud (bij de-woorden)    deze, die, zulke, zo'n           deze, die, degene, diegene

Meervoud                                    deze, die, zulke                     deze, die, degene(n), diegene(n), zulke(n)

 

Enkele voorbeelden van niet-zelfstandig gebruikte aanwijzend voornaamwoorden:

Zulke schoenen zou ik ook wel willen hebben. (niet-zelfstandig gebruikt, schoenen staat erbij)
Ik wil graag zo'n hockeystick hebben.
Kunt u mij twee stukken van die kaas geven?
Ik maak mijn huiswerk aan dit bureau.

Enkele voorbeelden van zelfstandig gebruikte aanwijzend voornaamwoorden:

Ken jij Gerben? Ja, die ken ik zeker. (zelfstandig gebruikt, Gerben wordt niet herhaald)
Laten we dat direct doen.
Diegene met de grootste mond, heeft niet altijd het meeste zelfvertrouwen.

 

  Vuistregels

De spelling van het aanwijzend voornaamwoord is afhankelijk van:

  • het getal (enkelvoud of meervoud),
  • het type woord (de-woord of het-woord),
  • de vorm (zelfstandig of niet-zelfstandig) en
  • van het woord waar het bij hoort.

  Voorbeeldvraag

Welk aanwijzend voornaamwoord hoort in welke zin te staan?

a. Het lijkt me leuk om te proberen om bij ..... (1) verlaten strand te komen.
b. Mijn moeder wilt graag ..... (2) kippen in haar tuin hebben.
c. Kan je mij ..... (3) etui aangooien?

- die
- dat
- zulke

 

Uitwerkingen

a. Het lijkt me leuk om te proberen om bij dat verlaten strand te komen.
b. Mijn moeder wilt graag zulke kippen in haar tuin hebben.
c. Kan je mij die etui aangooien?