Beschrijf de 3 intervallen uit de afbeelding.
Uitwerking:
Interval 1 schrijf je als volgt op: -3 < x < 2, maar ook goed is 2 > x > -3
Interval 2 schrijf je als volgt op: x > 1, maar ook goed is 1 < x
Interval 3 is wat anders dan interval 1 en 2. Je ziet dat x < -2 en dat x > 1. Dit interval bestaat dus uit twee delen, je schrijft dit op door een verbindingsteken tussen de delen te plaatsen. Dit doe je als volgt: x < -2 ∨ x > 1
Tip: Je ziet dat je het op verschillende manieren kan opschrijven. Het enige waar je op moet letten is dat je het groter-dan-teken (>) of het kleiner-dan-teken (<) goed gebruikt.