Schrijf op of de volgende functies een top of een punt van symmetrie hebben. Schrijf ook de coördinaten van dit punt op.
a. f(x) = 0,5 ( x - 0,5 )3 + 12
b. g(x) = 2 (x + 6)4 + 10
c. h(x) = -3 (x - 8)6 - 15
Uitwerking
a. n is een oneven getal, dus de grafiek heeft een symmetriepunt. Dit punt is bij (0,5;12).
b. n is een even getal, dus de grafiek heeft een top, en a > 0, dus de top is het laagste punt. Dit punt is bij (-6 ,10).
c. n is een even getal, dus de grafiek heeft een top, en a < 0, dus de top is het hoogste punt. Dit punt is bij (8,-15).