Deel de volgende zinnen op in de persoonsvorm, het onderwerp, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp?
a. De jonge volkszanger zong een liedje voor zijn vriendin.
b. Mijn broertje kocht een duur horloge voor onze vader.
c. Ik nam de telefoon op voor Roline.
Uitwerking:
a. De jonge volkszanger - zong - een liedje - voor zijn vriendin.
- Zong de volkszanger een liedje voor zijn vriendin? (vraagproef)
--> zong = de persoonsvorm
- Wie zong? (wie of wat + gezegde)
--> de jonge volkszanger = het onderwerp
- Wat zong de jonge volkszanger? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een liedje = het lijdend voorwerp
- Voor wie zong de jonge volkszanger een liedje? (aan/voor wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?)
--> voor zijn vriendin = meewerkend voorwerp
b. Mijn broertje - kocht - een duur horloge - voor onze vader.
- Kocht mijn broertje een duur horloge voor onze vader? (vraagproef)
--> kocht = de persoonsvorm
- Wie kocht? (wie of wat + gezegde)
--> Mijn broertje = het onderwerp
- Wat kocht mijn broertje? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> een duur horloge = het lijdend voorwerp
- Voor kocht mijn broertje een duur horloge? (aan/voor wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?)
--> voor onze vader = meewerkend voorwerp
c. Ik - nam - de telefoon - op - voor Roline.
- Nam ik de telefoon op voor Roline? (vraagproef)
--> nam op (van het werkwoord opnemen) = de persoonsvorm
- Wie nam op? (wie of wat + gezegde)
--> Ik = het onderwerp
- Wat nam ik op? (wie of wat + gezegde + onderwerp)
--> de telefoon = het lijdend voorwerp
- Voor wie nam ik de telefoon op? (aan/voor wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?)
--> voor Roline = meewerkend voorwerp