nederlands onderwerpen

Hoofd- & bijzin

  • hoofdzin
  • bijzin
  • samengestelde zin

  Theorie

Uitdaging

Wat zijn hoofdzinnen en bijzinnen en hoe bepaal je wat de hoofdzin en wat de bijzin is?

Methode

Een zin met minimaal twee persoonsvormen noemen we een samengestelde zin. Een samengestelde zin kan bestaan uit een hoofdzin / meerdere hoofdzinnen en/of een bijzin / meerdere bijzinnen bijzinnen.

 

Hoofdzin

In een hoofdzin staat de persoonsvorm helemaal vooraan of direct na het eerste zinsdeel. 

- Heb jij de keuken gestofzuigd?
- Ik wil dat broodje eten.
- Die man is gek geworden.

Hoofdzinnen kunnen met elkaar verbonden worden door nevenschikkende voegwoorden, zoals: en, noch, alsmede, alsook, maar, doch, of, ofwel, dan, want, dus.

- Ik kan die lamp niet repareren, maar ik kan wel een nieuwe lamp kopen.
- Hij eet geen hamburgers meer, want hij wordt anders snel te dik.
- De buurman heeft grijs haar en hij gaat iedere ochtend hardlopen.

 

Bijzin

In een bijzin staat de persoonsvorm niet vooraan, maar juist achteraan (helemaal achteraan of als een van de laatste woorden). Hoofd- en bijzinnen kunnen met elkaar verbonden worden door onderschikkende voegwoorden, zoals: dat, als, daardoor, hoewel, indien, nadat, omdat, terwijl, toen, wanneer, zodat, zodra, of, wat.

- Hij vertelde me dat hij naar het strand zou gaan.
- Ze gaat met me mee, als ik haar ticket betaal.
- Ik vind hem heel slim, hoewel hij af en toe wel slordig is.

 

Voorbeelden

- Wie als eerste over de finish is, wint het toernooi.
--> hoofdzin: wint het toernooi
--> bijzin: wie als eerste over de finish is

- Mijn moeder zei dat ik als baby altijd aan het lachen was.
--> hoofdzin: Mijn moeder zei
--> bijzin: dat ik als baby altijd aan het lachen was

- De oude man die voor de openhaard zit, heeft mij opgevoed.
--> hoofdzin: De oude man heeft mij opgevoed
--> bijzin: die voor de openhaard zit

Let op: de onderdelen van de hoofdzin hoeven dus niet per sé bij elkaar te staan in de originele zin!

  Vuistregels

  • Een samengestelde zin kan bestaan uit een hoofdzin / meerdere hoofdzinnen en/of een bijzin / meerdere bijzinnen.
  • In een hoofdzin staat de persoonsvorm helemaal vooraan of direct na het eerste zinsdeel. 
  • In een bijzin staat de persoonsvorm niet vooraan, maar juist achteraan (helemaal achteraan of als een van de laatste woorden).

  Voorbeeldvraag

Wat is de hoofd- en bijzin in de volgende zinnen? 

a. Mijn moeder hielp mij altijd met Engels, omdat ik dat erg moeilijk vond. 
b. Ik moet morgen naar de tandarts, want ik heb kiespijn. 
c. De man, met de rode zonnerbil, liep snel de winkel uit. 

 

Uitwerkingen

a. Mijn moeder hielp mij altijd met Engels, omdat ik dat erg moeilijk vond. 

De zinnen zijn verbonden door het onderschikkende voegwoord omdat, dit betekent dat er een bijzin is.
--> hoofdzin: Mijn moeder hielp mij altijd met Engels
--> bijzin: omdat ik dat erg moeilijk vond.

b. Ik moet morgen naar de tandarts, want ik heb kiespijn. 

Beide zinnen zijn hoofdzinnen omdat ze verbonden zijn door het nevenschikkende voegwoord want.

c. De man, met de rode zonnerbil, liep snel de winkel uit. 
--> hoofdzin: De man liep snel de winkel uit
--> bijzin: met de rode zonnebril