nederlands onderwerpen

Voorzetselvoorwerp

  • voorzetselvoorwerp
  • zinsontleding

  Theorie

Uitdaging

Hoe vind je het voorzetselvoorwerp in een zin?

Methode

Een voorzetselvoorwerp bestaat (net zoals een bijwoordelijke bepaling) uit één woord of meerdere woorden die meer informatie geven over wat in het gezegde wordt uitgedrukt. Wat belangrijk is om te weten is dat:

- een voorzetselvoorwerp altijd begint met een voorzetsel dat je niet weg kan halen uit de zin.
- een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel (luisteren naar, abonneren op, delen door, geven om, kijken naar, etc.).
- een zinsdeel dat begint met een voorzetsel is altijd een voorzetselvoorwerp is, tenzij het zinsdeel dat begint met een voorzetsel een plaats aangeeft, dan is het een bijwoordelijke bepaling.

 

Kijk maar naar de voorzetselvoorwerpen in de volgende zinnen:

- Ik luister naar de muziek
- Zij heeft zich geabonneerd op haar favoriete tijdschrift.
- Als je het goede antwoord wilt geven, deel je dertig door tien.

 

In de volgende eerste zinnen geeft het zinsdeel dat begint met het voorzetsel een plaats aan, waardoor het dus niet gaat om een voorzetselvoorwerp, maar om een bijwoordelijke bepaling:

- De mat ligt voor je voordeur. (je voordeur geeft een plaats aan = bijwoordelijke bepaling)
- De mat ligt daar voor de sier. (de sier geeft géén plaats aan = voorzetselvoorwerp)

- De vrouw kijkt naar de straat. (de straat geeft een plaats aan = bijwoordelijke bepaling)
- De vrouw kijkt naar haar man. (haar man geeft géén plaats aan = voorzetselvoorwerp)

 

  Vuistregels

  • een voorzetselvoorwerp begint altijd met een voorzetsel dat je niet weg kan halen uit de zin.
  • een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel (luisteren naar, abonneren op, delen door, geven om, kijken naar, etc.).
  • wanneer een zinsdeel begint met een voorzetsel is het altijd een voorzetselvoorwerp, tenzij dat zinsdeel een plaats aangeeft, dan is het een bijwoordelijke bepaling.

  Voorbeeldvraag

Wat is het voorzetselvoorwerp?

a. Mijn broer geeft om het konijn.
b. De piloot kijkt naar het nieuwe vliegtuig.

 

Uitwerkingen: 

a. Het voorzetsel in deze zin is: om
Mijn broer geeft om het konijn.

voorzetselvoorwerp: om het konijn 

b.Het voorzetsel in deze zin is: naar
De piloot kijkt naar het nieuwe vliegtuig.

voorzetselvoorwerp: naar het nieuwe vliegtuig