Uitdaging
Je hoort een t, maar hoe weet je of je een -d of -t schrijft?
Methode
Spellingsregel: d of t? Maakt het woord langer! Hoor je dan een d? Dan schrijf je dus een d, ook al hoor je een t!
Let op: Woorden met een d kun je altijd langer maken! Kun je het woord dus niet langer maken? Dan schrijf je sowieso een t: wat, het, dit, met, dat...
Voorbeelden t-woorden
ruit - ruiten
fluit - fluiten
pit - pitten
gat - gaten
staart - staarten
Voorbeelden d-woorden
kleed - kleden
meid - meiden
blad - bladeren
pad - paden
hoed - hoeden