bezittelijk voornaamwoord

Basis - bezittelijk voornaamwoord

  • bezittelijk voornaamwoord
  • voornaamwoord
  • zelfstandige vorm
  • niet-zelfstandige vorm

  Theorie

Uitdaging

Wat is een bezittelijk voornaamwoord en hoe spel je het in de verschillende personen en tijden?

Methode

Een bezittelijk voornaamwoord is een woord dat een relatie aangeeft tussen een zelfstandig naamwoord en een persoon, dier of instantie. De spelling is afhankelijk van de persoon en getal (1e, 2e of 3e, enkelvoud of meervoud), het geslacht (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) en of het voornaamwoord zelfstandig is of niet-zelfstandig is.

In het volgende overzicht kan je zien wat de verschillende bezittelijke voornaamwoorden zijn en hoe je deze spelt in de verschillende situaties:

 

Persoon                        Niet-zelfstandig                Zelfstandig

1e enkelvoud                mijn, m'n                             mijne

2e enkelvoud                jouw, je                               jouwe

3e enkelvoud                zijn, z'n, haar, d'r, uw        zijne, hare, uwe

1e meervoud                 ons, onze                            onze

2e meervoud                 jullie, je, uw                        die/dat van jullie, uwe

3e meervoud                 hun                                      hunne

 

Voorbeelden van de niet-zelfstandige vorm zijn:

Mag ik zijn jas lenen? (gaat over de jas)

Onze vragen waren de beste. (gaat over de vragen)

Dat mag absoluut niet van hun ouders. (gaat over de ouders)

 

Voorbeelden van de zelfstandige vorm zijn:

Is dat jouw jas of is het de zijne? (zelfstandig gebruikt, zonder het woord jas erachter)

Dat argument is het uwe, edelachtbare. (zelfstandig gebruikt, zonder het woord argument erachter) 

  Vuistregels

De spelling van het bezittelijk voornaamwoord is afhankelijk van:

  • de persoon en getal (1e, 2e of 3e, enkelvoud of meervoud),
  • het geslacht (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) en
  • of het voornaamwoord zelfstandig is of niet-zelfstandig is.

  Voorbeeldvraag

Welk bezittelijk voornaamwoord hoort in welke zin te staan?

a. Roger heeft ..... (1) tennisracket opnieuw laten bespannen.
b. Priscilla heeft die zonnebrandcrème gekregen van ..... (2) ouders.
c. Die haren in de soep zijn niet van mij, maar volgens mij zijn het de ..... (3).

- hare
- zijn
- hun

 

Uitwerkingen

a. Roger heeft zijn tennisracket opnieuw laten bespannen.
b. Priscilla heeft die zonnebrandcrème gekregen van hun ouders.
c. Die haren in de soep zijn niet van mij, maar volgens mij zijn het de hare.

Word beter in de kernvakken en leer al je woordjes.

Probeer nu gratis