woordformules

Basis - woordformules

  Theorie

Uitdaging

Met woordformules kun je in woorden uitleggen hoe je iets kunt uitrekenen. Hoe een woordformule is opgebouwd en hoe je ermee kunt rekenen, leggen we je uit in deze theorie.

Methode

Om uit te leggen hoe een woordformule werkt, bekijken we eerst het voorbeeld van Gerard.

 

Voorbeeld 1

Gerard gaat samen met zijn vriendin een weekje op vakantie. De huur van het huisje kan berekend worden met de volgende formule: Huur huisje = 50 + 60 × aantal dagen

Als je dus het aantal dagen weet, dan kun je berekenen hoeveel Gerard in totaal aan huurkosten voor het huisje moet betalen.

Het begingetal in deze woordformule is 50. Ook als er 0 dagen zijn verstreken, dan moet er al 50 worden betaald. Daarom noemen we dit het begingetal. Waarschijnlijk zijn dit de kosten voor de schoonmaak van het huisje, dat moet namelijk altijd gebeuren voordat er een nieuwe gast komt, onafhankelijk van hoe lang iemand een het huisje heeft gehuurd.

Het stijggetal in deze woordformule is 60. Met iedere extra dag stijgen de huurkosten van het huisje met 60. Daarom noemen we dit het stijggetal.

 

Voorbeeld 2

Finn spaart elke week 5 euro van zijn zakgeld. In zijn spaarpot zit al 75 euro van zijn verjaardag.

Je kunt hier nu een woordformule van maken. In de spaarpot zit al 75 euro, het begingetal is dus 75. Iedere week stopt Finn 5 euro erbij in de spaarpot, dat is dus het stijggetal.

De woordformule wordt dus: Spaargeld Finn = 75 + 5 x aantal weken

 

Voorbeeld 3

Marian koopt een prepaid kaart voor 15 euro. Voor bellen betaalt ze 0,20 euro per minuut. Ze kan haar beltegoed uitrekenen met de formule: Beltegoed = 15 – 0,20 x aantal minuten

Na hoeveel minuten bellen is haar beltegoed op? Dit kun je uitrekenen door de woordformule gelijk te stellen aan 0, dan is het beltegoed namelijk op.

15 - 0,20 x aantal minuten = 0
0,20 x aantal minuten = 15
aantal minuten = 15 : 0,2 = 75 minuten

  Vuistregels

  • Begingetal = het getal waarmee de grafiek begint
  • Stijggetal = het getal waarmee de grafiek stijgt (of daalt)

  Voorbeeldvraag

Marian koopt een prepaid kaart voor 20 euro. Voor bellen betaalt ze 0,40 euro per minuut. Ze kan haar beltegoed uitrekenen met de formule: Beltegoed = 20 – 0,40 x aantal minuten

Na hoeveel minuten bellen is haar beltegoed op?

 

 

Uitwerking:

Dit kun je uitrekenen door de woordformule gelijk te stellen aan 0, dan is het beltegoed namelijk op.

20 - 0,40 x aantal minuten = 0
0,40 x aantal minuten = 20
aantal minuten = 20 : 0,4 = 50 minuten

Word beter in de kernvakken en leer al je woordjes.

Probeer nu gratis