Present perfect (continuous) & p...

Present perfect (continuous) & past perfect (continuous)

  • werkwoorden

  Theorie

Uitdaging

De verschillende vormen in de voltooide tijd die we kennen in de Engels taal zijn de:
- Present perfect
- Present perfect continuous
- Past perfect
- Past perfect continuous

In deze theorie gaan we behandelen hoe je deze tijden maakt en wanneer je welke perfect tense (=voltooide tijd) precies gebruikt.

Methode

HOE MAAK JE IEDERE TIJD? 

- present perfect = has / have + voltooid deelwoord
- present perfect continuous = has / have + been + werkwoord+ing

- past perfect = had + voltooid deelwoord
- past perfect continuous = had + been + werkwoord+ing

- He has lived                      present perfect
- He has been living           present perfect continuous
- He had lived                      past perfect
- He had been living           past perfect continuous

Uitzonderingen omtrent de spelling van het voltooid deelwoord en het werkwoord+ing hebben we in voorgaande onderwerpen al behandeld. Leer ook goed de vervoeging van onregelmatige werkwoorden uit je hoofd, deze kun je tegenkomen in de oefeningen.

 

WANNEER GEBRUIK JE WELKE TIJD?

De present perfect gebruik je bij zinnen die:

  • iets zeggen over het verleden en nu nog bezig zijn:

- Celine, our newborn baby, has slept since she was born.
- Graham has lived in London since the summer of 2010.
- I have played football for three years.

  • iets zeggen over het verleden en nu nog invloed hebben:

- We have never been to that restaurant.
- I have seen this movie six times already.
- Robert has lost his keys.

Signaalwoorden, woorden waaraan je ziet dat het ook nu nog van invloed is of nog steeds bezig is, zijn: for, since, already, evernever, so far, for a couple of years, all my life.

De present perfect continuous (ing-vorm) gebruik je:

  • als iets in het verleden begonnen is en nog steeds voortduurt en je wilt vooral de tijdsduur benadrukken:

- I have been studying English for five years (vijf jaar lang en nu nog steeds).
- How long have you been studying English at school now?

  • als de handeling je irriteert:

- I have been waiting for your reply for over a week!

  • bij de woorden 'recently' en 'lately':

- Recently, I have been feeling sick.

De past perfect gebruik je:

  • als een handeling in het verleden vooraf ging aan een andere handeling in het verleden:

- When he had finished his lunch, he went home.
- She had worked there for only a week, when she was fired.

  • als iets in het verleden begonnen is en inmiddels is afgelopen:

- I had had the Mercedes for over a year (het gaat hier even niet om de tijdsduur).

Signaalwoorden die je kunt tegenkomen voor de past perfect zijn bijvoorbeeld: after, before, because, right after, as soon as, when, in 2012.

De past perfect continuous (ing-vorm) gebruik je:

  • als iets in het verleden begonnen is, inmiddels is afgelopen en je wilt vooral de tijdsduur benadrukken.

- I had been studying English for six years (wel zes jaar lang, nu niet meer).

  Vuistregels

  • present perfect = has / have + voltooid deelwoord
  • present perfect continuous = has / have + been + werkwoord+ing
  • past perfect = had + voltooid deelwoord
  • past perfect continuous = had + been + werkwoord+ing

De present perfect gebruik je bij zinnen die:

  • iets zeggen over het verleden en nu nog bezig zijn
  • iets zeggen over het verleden en nu nog invloed hebben

De present perfect continuous (ing-vorm) gebruik je:

  • als iets in het verleden begonnen is en nog steeds voortduurt en je wilt vooral de tijdsduur benadrukken
  • als de handeling je irriteert
  • bij de woorden 'recently' en 'lately'

De past perfect gebruik je:

  • als een handeling in het verleden vooraf ging aan een andere handeling in het verleden
  • als iets in het verleden begonnen is en inmiddels is afgelopen

De past perfect continuous (ing-vorm) gebruik je:

  • als iets in het verleden begonnen is, inmiddels is afgelopen en je wilt vooral de tijdsduur benadrukken

  Voorbeeldvraag

Vul de juiste werkwoordsvorm in de perfect tense in in de zin.

1. He ...... (to live, present perfect).
2. She ..... (to say, past perfect).
3. We ..... (to tell, past perfect continuous).
4. I ..... (to make, present perfect continuous).

 

Uitwerking

1. He has lived.
2. She had said.
3. We had been telling
4. I have been making.

Word beter in de kernvakken en leer al je woordjes.

Probeer nu gratis