If-sentences voor feiten, waarsc...

If-sentences voor feiten, waarschijnlijke en onwaarschijnlijke situaties

  • if-sentences
  • conditional clause
  • als/wanneer-zinnen

  Theorie

Uitdaging

Je gebruikt een if-sentence (conditional clause) voor feiten, waarschijnlijke situaties en onwaarschijnlijke situaties. In dit onderwerp behandelen we hoe je if-sentences in deze verschillende situaties op een correcte manier opschrijft.

Methode

Een if-sentence bestaat uit een hoofdzin- en een bijzin. In de bijzin staat de voorwaarde beschreven en in de hoofdzin staat het gevolg beschreven. De volgorde maakt niet uit: je kunt de bijzin (de voorwaarde) vooraan zetten, maar ook de hoofdzin (het gevolg). Let op: Als je de hoofdzin (het gevolg) vooraan zet, dan gebruik je geen komma in de zin.

 

If-sentences voor feiten (for facts)

Deze zinnen gebruik je voor feiten (dingen die altijd waar zijn):

  • I always cry if I am in a bad mood.
  • When I am hungry, I eat until I'm completely stuffed.
  • If Jonathan follows that path over there, he arrives at his uncle's house.

Let op: Je kunt if en when gebruiken. Als je when gebruikt, dan geef je aan dat iets vaker gebeurt dan wanneer je if gebruikt.

Je maakt if-sentences voor facts in de present simple (zowel in de hoofdzin als bijzin):

  • If I am in a bad mood, I always cry.
  • I eat until I'm completely stuffed when I am hungry.
  • He arrives at his uncle's house if Jonathan follows that path over there.

IN FORMULEVORM:

  • [If/When + Present Simple --> Present Simple]
  • [Present Simple --> If/When + Present Simple]

 

If-sentences voor waarschijnlijke situaties (likely situations)

Deze zinnen gebruik je als je je voorstelt wat jij/iemand zou doen in een specifieke situatie in de toekomst:

  • She will be nice to you if you are nice to her.
  • If it rains tomorrow, I will stay at home.
  • We will not go to the museum if dad decides to celebrate his birthday.

Let op: Je kunt voor likely situations alleen if gebruiken. Dat is natuurlijk logisch, aangezien je het hebt over de toekomst en je nog niet zekert weet of het gaat gebeuren.

Je maakt if-sentences voor waarschijnlijke situaties in de present simple (alleen de if-sentence in de present simple, het andere deel van de zin staat in de toekomstige tijd):

  • If you are nice to her, she will be nice to you.
  • I will stay at home if it rains tomorrow.
  • If dad decides to celebrate his birthday, we will not go to the museum.

IN FORMULEVORM:

  • [If + Present Simple --> Future]
  • [Future --> If + Present Simple]

Je kunt in plaats van will ook andere tijden gebruiken voor de toekomst als dat beter in de zin past, zoals can, may, shall, de present continuous of to be going to.

 

If-sentences voor onwaarschijnlijke situaties (unlikely situations)

Deze zinnen gebruik je als je je iets voorstelt of afvraagt wat nog geen werkelijkheid is:

  • He would buy a new bicycle if he had enough money.
  • If we lived in Norway, my mother would miss us.
  • We would catch the last train if we hurried.

Let op: Je gebruikt alleen if. Bij I, he, she en it gebruik je altijd were in plaats van was.

Je maakt if-sentences voor onwaarschijnlijke situaties in de past simple (alleen de if-sentence in de past simple, voor het andere deel van de zin gebruik je would):

  • If he had enough money, he would buy a new bicycle.
  • My mother would miss us if we lived in Norway, 
  • If we hurried, we would catch the last train.

IN FORMULEVORM:

  • [If + Past Simple --> Would + Verb]
  • [Would + Verb --> If + Past Simple]

  Vuistregels

If-sentences voor feiten (for facts)
Deze zinnen gebruik je voor feiten (dingen die altijd waar zijn).

  • [If/When + Present Simple --> Present Simple]
  • [Present Simple --> If/When + Present Simple]

If-sentences voor waarschijnlijke situaties (likely situations)
Deze zinnen gebruik je als je je voorstelt wat jij/iemand zou doen in een specifieke situatie in de toekomst.

  • [If + Present Simple --> Future]
  • [Future --> If + Present Simple]

If-sentences voor onwaarschijnlijke situaties (unlikely situations)
Deze zinnen gebruik je als je je iets voorstelt of afvraagt wat nog geen werkelijkheid is.

  • [If + Past Simple --> Would + Verb]
  • [Would + Verb --> If + Past Simple]

  Voorbeeldvraag

Maak de if-sentences (conditionals) af door het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm te zetten.

1. You ..... (earn) some extra money if you ..... (get) yourself a part-time job.
2. I ..... (listen) to music when I ..... (have) nothing else to do.
3. If you ..... (stop) for a second, I ..... (tie) my shoelaces.

 

Uitwerking

1. You would earn some extra money if you got yourself a part-time job.
2. I listen to music when I have nothing else to do.
3. If you stop for a second, I will tie my shoelaces.

Word beter in de kernvakken en leer al je woordjes.

Probeer nu gratis