Past perfect

Past perfect

  • voltooid deelwoord
  • werkwoorden

  Theorie

Uitdaging

De voltooid verleden tijd noemen we in de Engelse taal de past perfect. Denk bijvoorbeeld aan zinnen als: Ik had al van Jimmy gewonnen, voordat zijn ouders er waren.

In deze theorie gaan we twee dingen behandelen: wanneer gebruik je de past perfect en hoe maak je de past perfect van regelmatige werkwoorden en onregelmatige werkwoorden?

Methode

Wanneer gebruik je de past perfect?

Stel je het volgende voor: Je had je vriend Jimmy al verslagen met tennis, voordat zijn ouders waren aangekomen, zo goed ging het! Dan kun je zeggen: “I had defeated my friend Jimmy, before his parents arrived.”

Je gebruikt de past perfect (had + voltooid deelwoord) wanneer je meerdere momenten in het verleden bespreekt. De past perfect gebruik je dan voor dat wat het langst geleden is en de past simple voor dat wat minder lang geleden heeft plaatsgevonden. Zoals in bovenstaande zin: I had defeated my friend Jimmy (het langst geleden = past perfect), before his parent arrived (minder lang geleden = past simple).

Een aantal voorbeelden van zinnen in de past perfect zijn:

- Right after he had shouted to me, he ran away.
- Before they went to the city, they had finished the game. 
- I planned to go on holiday, when I had heard about the cheap ticket prices.
- As soon as we had finished our drinks, we went to school.
- You were surprised, because you had never seen anything like this.

Deze zinnen bevatten allemaal twee momenten in het verleden. Je gebruikt dan dus altijd de past perfect voor het moment dat het langst geleden plaatsvond, en de past simple voor dat wat minder lang geleden heeft plaatsgevonden.

Signaalwoorden die je kunt tegenkomen voor de past perfect zijn bijvoorbeeld: after, before, because, right after, as soon as, when, in 2012.

Gebruik hier dus niet de present perfect: die vorm gebruik je als de zin iets over het verleden zegt en ook nu nog bezig is of nu nog invloed heeft.

 

Hoe maak je de past perfect?

Zoals je misschien al hebt gezien lijkt de past perfect erg veel op de present perfect:

- present perfect = has / have + voltooid deelwoord
- past perfect = had + voltooid deelwoord

Regelmatige werkwoorden (to live, to work, etc.) krijgen dus -ed erachter als voltooid deelwoord. Belangrijke uitzonderingen zijn:

  • Werkwoorden die eindigen op -e, krijgen alleen -d erachter:
    - to bake: baked
  • Werkwoorden die eindigen op -c, krijgen -ked erachter:
    - to panic: panicked
  • Werkwoorden die eindigen op -y, met een medeklinker ervoor, krijgen -ied:
    - to marry: married
  • Werkwoorden die kort zijn, één klinker in zich hebben en waarbij maar één klemtoon mogelijk is, schrijf je met een extra laatste medeklinker voor -ed:
    - to swap: swapped
  • Werkwoorden die eindigen op een l, met één klinker ervoor krijgen een extra l:
    - to travel: travelled

Het voltooid deelwoord van een onregelmatig werkwoord moet je gewoon leren, zoals been (to be) en eaten (to eat). Hieronder zie je een lijstje van de past perfect van een aantal veel voorkomende onregelmatige werkwoorden:

- had been (to be - zijn)
- had bought (to buy - kopen)
- had done (to do - doen)
- had eaten (to eat - eten)
- had felt (to feel - (zich) voelen)
- had got (to get - krijgen)
- had had (to have - hebben)
- had kept (to keep - houden)
- had made (to make - maken)
- had said (to say - zeggen)
- had seen (to see - zien)
- had told (to tell - zeggen)
- had won (to win - winnen)
- had written (to write - schrijven)

  Vuistregels

Je gebruikt de past perfect (had + voltooid deelwoord) wanneer je meerdere momenten in het verleden bespreekt. De past perfect gebruik je dan voor dat wat het langst geleden is en de past simple voor dat wat minder lang geleden heeft plaatsgevonden. Zoals in de volgende zin: I had defeated my friend Jimmy (het langst geleden = past perfect), before his parent arrived (minder lang geleden = past simple).

  Voorbeeldvraag

Vul de juiste werkwoordsvorm in de past perfect in in de zin.

1. After I ..... (to take) a shower, I went to work.
2. Before I took a shower, I ..... (to have) breakfast.
3. As soon as we ..... (to land), we walked out of the airplane.

 

Uitwerking

1. After I had taken a shower, I went to work.
2. Before I took a shower, I had had breakfast.
3. As soon as we had landed, we walked out of the airplane.

Word beter in de kernvakken en leer al je woordjes.

Probeer nu gratis